Koorpartij-oefening

Koorpartij-Oefening
Ga naar de inhoud
Zingen is twee keer bidden
BWV 248-Weihnachtoratorium (J.S. Bach)
De instrumenten en stemmen.
Het bruisende inleidingskoor van de eerste cantate begint met de feestelijke klank van pauken en trompetten. De geboorte van Jezus wordt gevierd. Deze muziek schreef Bach in december 1733 ter gelegenheid van Maria Josepha. Trompetgeschal werd in Bach’s tijd veelal gebruikt om composities ter ere van wereldlijke vorsten een extra feestelijke lading mee te geven. In het Weihnachts-Oratorium zet Bach de trompet in om het koningschap van Christus uit te beelden. Behalve in de eerste horen we dit instrument ook in de derde en zesde cantate, waarin de herders, respectievelijk de Wijzen de Heer aanbidden. Bach schreef zijn muziek niet zomaar letterlijk over op een andere tekst. Met veel zorg schaafde hij de bestaande muziek bij, zodat er een overtuigend geheel kon ontstaan dat paste bij de nieuwe tekst. Dit is goed te horen in de koralen Wie soll ich dich empfangen uit de eerste cantate en Nun seid ihr wohl gerochen uit de slotcantate. In beide stukken gebruikt hij de melodie van het koraal O Haupt voll Blut und Wunden uit de Matthäus-Passion. Het onderwerp hierin is het grote verdriet om het lijden van Christus. In de eerste cantate klinkt het koraal echter verwachtingsvol en ingetogen en in de laatste cantate wordt overduidelijk een overwinning gevierd. In de tweede cantate spelen fluiten en hobo’s een grote rol. Deze instrumenten gebruikte Bach, net als de trompet, niet voor niets. Fluiten, hobo’s, fagotten en hoorns werden vaak gebruikt om de muziek een pastoraal karakter te geven. In Bijbels perspectief is Christus de goede herder. Het is dan ook geen toeval dat het juist in deze cantate over de herders gaat die door een engel op de hoogte worden gebracht van de geboorte van Jezus. Aan de fluiten en hobo’s werd door Bach dus een symbolische betekenis toebedacht. Voor Bach was het heel gewoon om dergelijke middelen te gebruiken om de emotie van een tekst uit te drukken. Deze gewoonte kwam voort uit de zeventiende-eeuwse traditie om in de muziek alle thema’s zo realistisch mogelijk over te laten komen. Componisten zochten ernaar om emoties als droefheid, woede, haat, vreugde, liefde en jaloezie, zoals deze gerelateerd waren aan de teksten, in vocale muziek uit te drukken. Andere middelen waarmee Bach de muziek aan de tekst meer gewicht of betekenis wist te geven zien we in de tenor-aria Frohe Hirten, eilt, ach eilet uit de tweede cantate. De snelle, lange melismen (meerdere noten op een lettergreep, red.) op ‘eilt’ (maak haast) en op ‘labet’ (verkwik) verlenen de aria een sfeer van haast en ongeduldige verwachting om de pasgeborene te zien. De derde cantate gaat over de aanbidding van het Kind door de herders. Het opent met het opgetogen koordeel Herrscher des Himmels, erhre das Lallen. Het hieropvolgende koraal Dies hat er alles uns getan is een innig dankgebed, dat verder wordt uitgewerkt in het duet voor sopraan en bas. Deze twee stemmen combineert Bach vaker als hij de liefde tussen de gelovige ziel en Christus verklankt. Hier laat Bach ons nog een voorbeeld zien van een middel waarmee hij de sfeer en de intentie van de tekstvoordracht heeft beïnvloed: de specifieke keuze van de zangstemmen die de tekst vertolken. Net als de eerste, derde, vijfde en zesde opent de vierde cantate met een krachtig jubelkoor in een levendig, bijna dansachtig ritme. Dit werk vertelt over de naamgeving en besnijdenis van Jezus. De schallende hoorns versterken de atmosfeer van onbekommerde dankbaarheid en zekerheid. Bijzonder is de echo-aria voor de sopraan. De echo wordt vertolkt door een hobo en een tweede sopraan, maar heel soms komt er een echo uit het niets, zonder dat hieraan voorafgaand hetzelfde wordt gezongen of gespeeld. Deze vondst van Bach veroorzaakt een suggestie van pure magie. De tenoraria Ich will nur dir zu Ehren leben is een vrolijk loflied, met virtuoze melismen op het woord ‘ehren’. Ook in de vijfde cantate wemelt het van voorbeelden van suggestieve tekstexpressie. Luister maar eens naar de sierlijke noten op het woord ‘strahlen’ in de bas-aria Erleuchtet auch meine finstre Sinnen. Voor deze aria maakte Bach gebruik van de feestcantate voor de keurvorst van Saksen Preis dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215). Het terzet van sopraan, tenor en alt Ach, wann wird die Zeit erscheinen is een prachtig theatraal moment dat de onrust en het ongeduld van de Drie Koningen uitbeeldt. De slotcantate van het Weihnachts-Oratorium staat in het teken van de victorie. De triomf over de zonde, de dood en de duivel wordt hier uitbundig gevierd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Bach hier weer een trompet laat schallen. De cantate opent wederom met een feestelijk en groots opgezet koor Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben, dat in de stralende toonsoort D-groot is gecomponeerd. Hier ontdekken we weer een middel waarmee de betekenis van de tekst een extra impuls krijgt: Bach’s keuze van bepaalde toonsoorten. Ook de openingskoren van de eerste, derde en vijfde cantate staan in D-groot. De muzikale eenheid van de zes cantates is hierdoor toch enigszins aanwezig. Het koraal Ich steh an deiner Krippen hier is wat meer ingetogen, maar gezien de tekst zou het niet anders moeten klinken. Met de tenor-aria en natuurlijk met het slotkoor keert echter al gauw de overwinningsstemming terug.
Terug naar de inhoud